bevis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·vis

Werkwoord

vervoeging van
bevissen

bevis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bevissen
    • Ik bevis. 
  2. gebiedende wijs van bevissen
    • Bevis! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bevissen
    • Bevis je? 

Gangbaarheid


Zweeds

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van het Zweedse wekwoord visa met het voorvoegsel be-
Naar frequentie 909
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bevis     beviset     bevis     bevisen  
genitief   bevis     bevisets     bevis     bevisens  

Zelfstandig naamwoord

bevis, o

  1. bewijs, bewijsstuk
    «Det finns inga bevis för att Iran skulle bryta mot dessa regler.»
    Er is geen bewijs dat Iran deze regels zou overtreden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Zelfstandig naamwoord

bevis

  1. genitief onbepaald onzijdig meervoud van bevis

bevis

  1. genitief onbepaald onzijdig enkelvoud van bevis

bevis

  1. genitief onbepaald onzijdig meervoud van bevis

Meer informatie