besprenkelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spren·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
besprenkelen
besprenkelde
besprenkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

besprenkelen

  1. overgankelijk druppels van een vloeistof ergens over strooien
    • De planten werden besprenkeld met water. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.