bespieden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·spie·den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beloeren’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • Afgeleid van spieden met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bespieden
bespiedde
bespied
zwak -d volledig

Werkwoord

bespieden

  1. overgankelijk iemand onopgemerkt in de gaten houden
    • De soldaten die hun kamp opsloegen beseften niet dat zij vanuit het bos bespied werden. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen