Naar inhoud springen

begluren

Uit WikiWoordenboek
  • be·glu·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
begluren
begluurde
begluurd
zwak -d volledig

begluren [1]

  1. overgankelijk stiekem bespieden
     Ook niet tijdens het familiediner dat toevallig een week later plaatsvond en waarbij we elkaar ietwat blozend zaten te begluren.[2]
98 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be