besogne

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·sog·ne
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zaak, beslommering’ voor het eerst aangetroffen in 1299 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord besogne besognes
verkleinwoord besognetje besognetjes

Zelfstandig naamwoord

besogne v/m [3]

  1. beslommering, moeilijke aangelegenheid
    • De Herald Tribune meldt dat in New York de bezoeksters van het theater in opstand zijn gekomen omdat ze in de pauze in lange rijen moeten wachten en vaak niet bijtijds verlichting kunnen vinden, terwijl bij de mannen, die hun besogne blijkbaar sneller afhandelen, nog volop vrije plaatsen zijn. De vrouwen namen de mannenhokjes in gebruik en verwekten groot schandaal.[4] 
    • Zelden verscheen op de Nederlandse kapitaalmarkt namelijk een williger prooi voor financiële tovenaars dan de woningcorporaties. Gedurende decennia vertoefden de ooit idealistische organisaties - met namen als Ons Belang, Beter Wonen - onder de paraplu van de rijksoverheid. De zorg voor betaalbaar wonen was hun belangrijkste besogne. Ingewikkelde financieringsconstructies behoorden niet tot hun metier; de financiering van de sociale woningbouw kwam hoofdzakelijk voor rekening van het ministerie van volkshuisvesting.[5]  
Synoniemen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen