besmettelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·smet·te·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen besmettelijk besmettelijker besmettelijkst
verbogen besmettelijke besmettelijkere besmettelijkste
partitief besmettelijks besmettelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

besmettelijk

  1. (medisch) het vermogen hebbend gemakkelijk van persoon op persoon overgedragen te worden
    • Dit is de besmettelijkste vorm van het virus. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie