besmeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·smeer·de

Werkwoord

vervoeging van
besmeren

besmeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van besmeren
    • Ik besmeerde. 
    • Jij besmeerde. 
    • Hij, zij, het besmeerde. 
  2. verbogen vorm van besmeerd, voltooid deelwoord van besmeren