beschimmelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schim·me·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beschimmelen
beschimmelde
beschimmeld
zwak -d volledig

Werkwoord

beschimmelen

  1. ergatief aangevreten worden door schimmels
    • Dat brood zal snel beschimmelen in dit vochtige warme weer. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie