schade

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·de
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘nadeel, beschadiging’ voor het eerst aangetroffen in 1237 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schade schaden
schades
verkleinwoord schadetje schadetjes

Zelfstandig naamwoord

schade v

  1. geheel van beschadigingen
    • De schade aan het huis na de wervelwind was aanzienlijk. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Door schade en schande wordt men wijs
een mens leert het beste van z'n fouten
  • Ver van je goed, dicht bij je schade
  • een blind paard kan er geen schade doen
die ruimte is helemaal leeg, er staat niets van waarde
  • schade toebrengen
beschadigen
  • schade lijden
beschadigingen toegediend krijgen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schaden

schade

  1. aanvoegende wijs van schaden

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·de
stellend vergrotend overtreffend
schade
-
-
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

  1. jammer, betreurenswaard, spijtig

Tussenwerpsel

Schade!

  1. Jammer!