berispelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ris·pe·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen berispelijk berispelijker berispelijkst
verbogen berispelijke berispelijkere berispelijkste
partitief berispelijks berispelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

berispelijk

  1. strenge afkeuring verdienend
    • De jongen vertoonde berispelijk gedrag. 
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.