bereisde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·reis·de
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
bereizen

bereisde

  1. enkelvoud verleden tijd van bereizen
    • Ik bereisde. 
    • Jij bereisde. 
    • Hij, zij, het bereisde. 

Bijvoeglijk naamwoord

bereisde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van bereisd