bereid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·reid
stellend
onverbogen bereid
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

bereid

  1. akkoord gaand, instemmend: bereid tot actie
    Ben je bereid om vandaag over te werken?
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bereiden

bereid

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bereiden
    Ik bereid.
  2. gebiedende wijs van bereiden
    Bereid!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bereiden
    Bereid je?
  4. voltooid deelwoord van bereiden

Deelwoord

deelwoord
onverbogen bereid
verbogen bereide
vervoeging van
bereiden

bereid voltooid deelwoord van bereiden

  1. vormt de voltooide tijden
    Hij had een heerlijke maaltijd voor ons bereid.
  2. vormt de lijdende vorm
    Acetosal wordt bereid door het acetyleren van salicylzuur.
  3. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    De maaltijd is bereid door een chef-kok.
  4. attributief gebruikt
    De viering werd afgesloten met een door de oudercommissie bereide maaltijd.