bengel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ben·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bengel bengels
verkleinwoord bengeltje bengeltjes

Zelfstandig naamwoord

bengel m

  1. (scheldwoord) deugniet
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bengelen

bengel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bengelen
    Ik bengel.
  2. gebiedende wijs van bengelen
    Bengel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bengelen
    Bengel je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl