belet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·let
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van beletten: de stam zonder -t omdat de stam al op -t eindigt en zonder ge- vanwege voorvoegsel [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord belet -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

belet o

  1. hinder.
    • Zonder belet is deze opdracht in een week klaar. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Belet vragen
Vragen of een bezoek wel gelegen komt.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beletten

belet

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van beletten
  2. gebiedende wijs van beletten
vervoeging van: beletten…
verbogen vorm: belette

belet

  1. voltooid deelwoord van beletten

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen