bekorting
Uiterlijk
- be·kor·ting
- Naamwoord van handeling van bekorten met het achtervoegsel -ing[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bekorting | bekortingen |
| verkleinwoord |
de bekorting v
- het kleiner maken van iets
1. het kleiner maken van iets
- Het woord bekorting staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bekorting" herkend door:
| 64 % | van de Nederlanders; |
| 53 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron “Commentaar: Kies je eigen ouders” (09-07-2012), Reformatorisch Dagblad - ↑
Weblink bron Marcel ten Broeke“Analyse: Polder steekt de kop in het zand voor tekortprognoses” (12-04-2013), Reformatorisch Dagblad - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be