beknellen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·knel·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

beknellen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beknellen
beknelde
bekneld
zwak -d volledig
  1. beperken, hinderen, in bedwang houden, verstikken
    • De grote vraag is geen morele, maar een politieke. Westerse regeringen kunnen kiezen voor repressie in antwoord op onuitroeibare burgerlijke ongehoorzaamheid. Ze kunnen internet verder beknellen, ze kunnen door het verspreiden van desinformatie hun valstrik van leugens vergroten, maar uiteindelijk verliezen zij altijd van die net iets slimmere hacker. Bovendien verliezen zij, terwijl ze proberen hun belangen en macht veilig te stellen, geleidelijk hun democratische geloofwaardigheid.[2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Halsema Bosma Elias 8 december 2010