behartigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·har·ti·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van hart met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -ig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
behartigen
behartigde
behartigd
zwak -d volledig

Werkwoord

behartigen

  1. overgankelijk iets ~ zich inzetten voor een bepaalde zaak
    ..[Filips de Schone] was hierin zeker te prijzen, dat ... hij alles, wat tot rechtvaardige en goedwillige bestiering diende, bevorderde, en der burgeren welzijn behartigde, ..[1]
  2. voornamelijk: de belangen ~ van
    • Zij behartigde de belangen van haar minderjarige zoon. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. p.216 Historie der Hollandsche staatsregering, tot aan het jaar 1795. A. Kluit