behaaglijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·haag·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen behaaglijk behaaglijker behaaglijkst
verbogen behaaglijke behaaglijkere behaaglijkste
partitief behaaglijks behaaglijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

behaaglijk

  1. aangenaam warm en gezellig
    • Er heerste een behaaglijk gevoel in die ruimte. 
  2. tevreden, op zijn gemak
    • Hij is een behaaglijke man. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.