bateau
Uiterlijk
- Komt van het Oudfrans batel, dat op zijn beurt samengesteld is uit het Angelsaksisch bāt (Engels: boat) en het achtervoegsel -ellus uit het Latijn. [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| bateau | le bateau | bateaux | les bateaux |
bateau m
- être du dernier bateau
- monter un bateau à quelqu'un
- Iemand beetnemen.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| mannelijk / vrouwelijk |
bateau | bateau |
bateau
- (spreektaal) cliché, afgezaagd
- «En draguant, faut éviter les phrases bateau.»
- Als je iemand wil versieren moet je afgezaagde zinnen vermijden. [2]
- «En draguant, faut éviter les phrases bateau.»