barbeel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bar·beel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het me Latijn, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord barbeel barbelen
verkleinwoord barbeeltje barbeeltjes

Zelfstandig naamwoord

barbeel m

  1. (vissen) Barbus barbus, een vis van de middenlopen van rivieren
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen