bankbiljet
Uiterlijk

- Geluid: bankbiljet (hulp, bestand)
- IPA: / 'bɑŋɡbɪljɛt / (3 lettergrepen)
- bank·bil·jet
- samenstelling van bank en biljet
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bankbiljet | bankbiljetten |
| verkleinwoord | bankbiljetje | bankbiljetjes |
het bankbiljet o
- (financieel) een betaalmiddel uitgegeven door een (centrale) bank van papier of kunststof dat is bedrukt met een tekst waaruit een tegenwaarde blijkt
- U kunt bij ons geen bankbiljetten van €500,- inwisselen.
- ▸ 'Slaoui trok een bankbiljet uit zijn zak en vertrok'. De visser vroeg of hij misschien ook een sigaret voor hem had. Slaoui tastte in zijn broekzak maar die was leeg. Hij zei dat hij er geen meer had en de visser bedankte hem zonder zijn teleurstelling te verbergen.[1]
- Het woord bankbiljet staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "bankbiljet" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[2] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Financieel in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %