balanceren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
balanceren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·lan·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zich in evenwicht houden’ voor het eerst aangetroffen in 1734 [1]
  • Van het Engelse balance of het Franse balancer met het achtervoegsel -eren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
balanceren
balanceerde
gebalanceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

balanceren

  1. inergatief evenwicht behouden om er niet vanaf te vallen
    • De koorddanser balanceerde op een tien meter hoog koord. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen