baggeraar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bag·ge·raar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baggeraar baggeraars
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

baggeraar m

  1. (beroep) iemand die zich met baggerwerk bezighoudt

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.