aviateur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • avia·teur

Niet in de woordenlijst van de Taalunie

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aviateur aviateurs
verkleinwoord aviateurtje aviateurtjes

Zelfstandig naamwoord

aviateur

  1. (beroep) vlieger, vliegenier
    aviateur bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl