asfalteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·fal·te·ren
Woordherkomst en -opbouw


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
asfalteren
asfalteerde
geasfalteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

asfalteren

  1. (overgankelijk) bedekken met asfalt
    Ze zijn de weg opnieuw aan het asfalteren.
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl