arminiaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ar·mi·ni·aan
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord arminiaan arminianen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

arminiaan m [2]

  1. (religie) aanhanger van Arminius (Jacob Harmensen (1560-1609)
     In de Bijbel staat die prachtige, ware zin: „Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde.” Laten we dat elkaar gunnen, of je nu vrijzinnig of orthodox bent, arminiaan of gomarist, protestant, katholiek of atheïst, lhbti’er of hetero.”[3]
     „Meneer Whitefield zegt dat meneer Wesley de zaligheid van een mens afhankelijk maakt van diens eigen vrije wil.” Maar dat klopt volgens haar niet, want van al het goede in de mens is God de auteur, schrijft ze. „John Wesley is geen arminiaan, en meneer Whitefield weet dat.”[4]
  2. (voeding) omgekeerde arminiaan: gebrakken baars of snoek
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

29 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. arminiaan op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron “‘Roze’ ode aan de Dordtse synode” (5-03-2019), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink Weblink bron Maarten Stolk “Wat Susanna Wesley haar tien kinderen leerde” (29-11-2019), Reformatorisch Dagblad
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be