aparte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • apar·te

Bijvoeglijk naamwoord

aparte

  1. verbogen vorm van de stellende trap van apart

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • a·par·te
  enkelvoud meervoud
mannelijk aparte apartes
vrouwelijk aparte apartes

Bijvoeglijk naamwoord

aparte

  1. apart

Werkwoord

vervoeging van
apartar

aparte

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van apartar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van apartar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van apartar
vervoeging van
apartarse

aparte

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van apartarse
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van apartarse
  3. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van apartarse