alias

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ali·as
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn [1]

Bijwoord

alias

  1. anders gezegd, ook wel genaamd
    • Meneer Jansen, alias "Snacker", kwam gisteren voor de zoveelste keer de snackbar binnen. 
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord alias aliassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

alias m

  1. een bijnaam
    • Hij kreeg een grappige alias van zijn vrienden. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Duits

Uitspraak
  • IPA: /'aːli̯as/
Woordafbreking
  • ali·as

Bijwoord

alias

  1. alias


Engels

Uitspraak
  • IPA: /ˈeɪliəs/

Bijwoord

alias

  1. alias
enkelvoud meervoud
alias aliases

Zelfstandig naamwoord

alias

  1. alias


Frans

Uitspraak

Bijwoord

alias

  1. alias
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  alias     l'alias     aliass     les alias  

Zelfstandig naamwoord

alias m

  1. alias


Spaans

Bijwoord

alias

  1. alias
enkelvoud meervoud
alias aliases

Zelfstandig naamwoord

alias m

  1. alias