algeheel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·ge·heel
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen algeheel
verbogen algehele
partitief algeheels - -

Bijvoeglijk naamwoord

algeheel

  1. helemaal, geheel, totaal, volledig
    • De algehele rotzooi werd voor straf opgeruimd door de kinderen. 
    • De algehele leiding berust bij de generaal. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
86 % van de Vlamingen.