algeheel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·ge·heel
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen algeheel
verbogen algehele
partitief algeheels

Bijvoeglijk naamwoord

algeheel

  1. helemaal, geheel, totaal, volledig
    • De algehele rotzooi werd voor straf opgeruimd door de kinderen. 
    • De algehele leiding berust bij de generaal. 
  2. het geheel zonder in details te treden
     Exact zoals de dokter haar had verzocht te doen. De eerste dag van Jeroens ziekenhuisopname had men zich beziggehouden met elementaire zaken zoals bloedafname, bloeddruk en het in kaart brengen van zijn algehele toestand.[1]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be