alarmeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • alar·meer·de

Werkwoord

vervoeging van
alarmeren

alarmeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van alarmeren
    • Ik alarmeerde. 
    • Jij alarmeerde. 
    • Hij, zij, het alarmeerde.