afwachting
Uiterlijk
- Geluid: afwachting (hulp, bestand)
- af·wach·ting
- Naamwoord van handeling van afwachten met het achtervoegsel -ing
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afwachting | |
| verkleinwoord |
de afwachting v
- in de veronderstelling zijnde dat bepaalde dingen gaan gebeuren
- De kinderen waren in afwachting van Sinterklaas.
- Hoewel de laatste dagen in afwachting van de wapenstilstand vrij rustig verliepen, kwam alles onverhoeds in een stroomversnelling. [1]
- ▸ Ik heb ze gevonden, señor Schloss, en ze zitten allemaal in het gevang, in afwachting van hun straf.[2]
- ▸ Want ik was niet naar Grand Hotel Europa gekomen om de tijd weemoedig te laten verglijden te midden van afgebladderde luxe en krakende glorie in passieve afwachting van een of ander inzicht, dat mij op een gegeven moment zou toevallen als een bloemblad uit een vergeeld boeket. Dat inzicht wilde ik afdwingen en daarom moest ik aan het werk.[3]
- Het woord afwachting staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Lemaitre, PierreTot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 13
- ↑ Jessie Burton (vert.Marja Borg)“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑ “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers
, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 19