afwachting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wach·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afwachting
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afwachting v

  1. in de veronderstelling zijnde dat bepaalde dingen gaan gebeuren
    • De kinderen waren in afwachting van Sinterklaas. 
Vertalingen

Gangbaarheid