aftroeven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·troe·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aftroeven


troefde af


afgetroefd


zwak -d volledig

Werkwoord

aftroeven

  1. (overgankelijk) (kaartspel) door een troef te spelen zich een slag toe-eigenen
    Hij opende door een schoppenaas te spelen maar dat werd al meteen afgetroefd.
  2. iets beter doen dan iemand anders
    De tienkamper overtroefde zijn tegenstanders op alle onderdelen.
  3. (overgankelijk), (figuurlijk) iemands bewering of uitleg met een scherpe tegenwerping neutraliseren
    In de vergadering werd zijn voorstel onmiddellijk afgetroefd door de penningmeester omdat er geen geld voor was.