aftroeven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·troe·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aftroeven
troefde af
afgetroefd
zwak -d volledig

Werkwoord

aftroeven

  1. overgankelijk (kaartspel) door een troef te spelen zich een slag toe-eigenen
    • Hij opende door een schoppenaas te spelen maar dat werd al meteen afgetroefd. 
  2. iets beter doen dan iemand anders
    • De tienkamper overtroefde zijn tegenstanders op alle onderdelen. 
  3. overgankelijk, (figuurlijk) iemands bewering of uitleg met een scherpe tegenwerping neutraliseren
    • In de vergadering werd zijn voorstel onmiddellijk afgetroefd door de penningmeester omdat er geen geld voor was. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.