afkooksel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

doek geverfd met het afkooksel van de sogabast
Uitspraak
Woordafbreking
  • af·kook·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afkooksel afkooksels
verkleinwoord afkookseltje afkookseltjes

Zelfstandig naamwoord

afkooksel o [1]

  1. vloeistof waarin de oplosbare stoffen uit een vaste stof zijn opgelost door koken
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een flauw afkooksel
iets dat heel slap is in vergelijking met het origineel
Vergeleken met de epische strijd die Laurent Fignon en Greg Lemond uitvochten in de Tour van 1989 en de niet aflatende ijver waarmee Lance Armstrong en Jan Ullrich elkaar in 2003 bestookten, was de strijd tussen Contador en Schleck een flauw afkooksel.[2]
    • CD&V-parlementslid Ward Kennes benadrukt dat het werkbezoek geen flauw afkooksel zal zijn van een hoorzitting. Hij wil spreken met de directeur, de voorzitter van de raad van bestuur, het hoofd van de juridische dienst, vertegenwoordigers van het personeel en een verantwoordelijke voor de vertalers en tolken.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen