afkondigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·kon·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afkondigen
kondigde af
afgekondigd
zwak -d volledig

Werkwoord

afkondigen

  1. overgankelijk openbaar maken, bijvoorbeeld van een beslissing
    • Het edict werd de volgende dag afgekondigd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.