afgericht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·richt
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afgericht afgerichter afgerichtst
verbogen afgerichte afgerichtere afgerichtste
partitief afgerichts afgerichters -

Bijvoeglijk naamwoord

afgericht [1]

  1. bekwaam

Deelwoord

deelwoord
onverbogen afgericht
verbogen afgerichte
vervoeging van
africhten

afgericht voltooid deelwoord van africhten

  1. vormt de voltooide tijden
    • Hij heeft de grote witte wolfshond afgericht om zijn kudde schapen te bewaken. 
  2. vormt de lijdende vorm
    • Hulphonden worden inmiddels ook afgericht om autistische kinderen en kinderen met andere ontwikkelingsstoornissen te helpen. 
  3. attributief gebruikt
    • Met speciaal afgerichte honden en varkens wordt gezocht naar bosvruchten. 
  4. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    • De honden zijn afgericht voor het zoeken naar truffels. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen