afdronk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dronk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afdronk afdronken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afdronk m [1]

  1. laatste gewaarwording bij het proeven of drinken van wijn

Werkwoord

vervoeging van
afdrinken

afdronk

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van afdrinken
    • ... dat ik afdronk. 
    • ... dat jij afdronk. 
    • ... dat hij, zij, het afdronk. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen