afdronk
Uiterlijk
- af·dronk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afdronk | afdronken |
| verkleinwoord | - | - |
de afdronk m
- laatste gewaarwording bij het proeven of drinken van wijn
| vervoeging van |
|---|
| afdrinken |
afdronk
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van afdrinken
- ... dat ik afdronk.
- ... dat jij afdronk.
- ... dat hij, zij, het afdronk.
- ... dat ik afdronk.
- Het woord afdronk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afdronk" herkend door:
| 93 % | van de Nederlanders; |
| 91 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be