afdrinken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·drin·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdrinken
dronk af
afgedronken
klasse 3 volledig

Werkwoord

afdrinken

  1. leegdrinken, uitdrinken, beëindigen
    • Kom, ouwe jongen. De tijd heelt alle wonden. Laten we het gaan afdrinken! 

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders
69 % van de Vlamingen.