Naar inhoud springen

achterhoofd

Uit WikiWoordenboek
achterhoofd
  • ach·ter·hoofd
enkelvoud meervoud
naamwoord achterhoofd achterhoofden
verkleinwoord achterhoofdje achterhoofdjes

hetachterhoofdo

  1. (anatomie) het achterste deel van het hoofd
     Hoewel ze niet precies wist wat Olive zou aantreffen, had ze er een redelijk goed idee van. Toen ze Olive door het raam had nagekeken en haar kale achterhoofd zag, had ze iets gevoeld wat op trots leek. Wanneer de dag des oordeels kwam - en dat zou nu niet lang meer duren - zouden ze haar inborst onder de loep nemen, dat wist ze.[1]
  2. een niet helemaal bewuste gedachte
     Hoewel ergens in haar achterhoofd een couppoging plaatsvond, bleef Chantal baas over haar eigen waarnemingsvermogen.[2]
  • op je achterhoofd vallen
dom zijn (Hij is niet op zijn achterhoofd gevallen = hij is slim)
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]