achterhoofd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

achterhoofd
Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·hoofd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achterhoofd achterhoofden
verkleinwoord achterhoofdje achterhoofdjes

Zelfstandig naamwoord

achterhoofd o

  1. (anatomie) het achterste deel van het hoofd
  2. een niet helemaal bewuste gedachte
     Hoewel ergens in haar achterhoofd een couppoging plaatsvond, bleef Chantal baas over haar eigen waarnemingsvermogen.[1]
Uitdrukkingen en gezegden
  • op je achterhoofd vallen
dom zijn (Hij is niet op zijn achterhoofd gevallen = hij is slim)
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be