wippen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wip·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wippen
wipte
gewipt
zwak -t volledig

Werkwoord

wippen

  1. (inergatief) op en neer bewegen
    De kinderen werden ongeduldig onder het lange betoog en begonnen te wippen en te wriemelen.

Zelfstandig naamwoord

wippen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wip