aanslibsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·slib·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanslibsel aanslibsels
verkleinwoord aanslibseltje aanslibseltjes

Zelfstandig naamwoord

aanslibsel o

  1. aangeslibde grond
    • Er kwam veel aanslibsel uit de havens. 
  2. (figuurlijk) ongewenste aanwas uit het verleden
    • Het was nodig dat de liturgie en de sacramentenbeleving werden bevrijd van veel aanslibsel uit het verleden. 
    • Het aanslibsel dat de cybernetici in de beleidswetenschap hebben achter- gelaten. 
Synoniemen

Gangbaarheid