Holzbau

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Holz·bau
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van de zelfstandige naamwoorden Holz en Bau
[1] enkelvoud meervoud
nominatief der Holzbau -
genitief des Holzbau -
datief dem Holzbau -
accusatief den Holzbau -
[2] enkelvoud meervoud
nominatief der Holzbau die Holzbauten
genitief des Holzbau der Holzbauten
datief dem Holzbau den Holzbauten
accusatief den Holzbau die Holzbauten

Zelfstandig naamwoord

Holzbau, m

  1. houtbouw
  2. (bouwkunde) een houten gebouw
    «Der Holzbau ist für Norwegen einer der wichtigsten Nahrungszweige.»
    De houtbouw is een van de belangrijkste inkomstenbronnen voor Noorwegen.