Naar inhoud springen

Belgische

Uit WikiWoordenboek
  • Bel·gi·sche
enkelvoud meervoud
naamwoord Belgische Belgischen
verkleinwoord - -

deBelgischev

  1. (demoniem) een vrouw uit België

Belgische

  1. verbogen vorm van de stellende trap van Belgisch
     Op het midden van de rijweg hielden compagnieën Belgische soldaten op de plaats rust.[1]
     De bus stuitert over het hobbelige Belgische wegdek, waardoor ik nauwelijks kan zitten.[2]
     De buschauffeur had een Belgische naam.[3]
  1. De tranen der acacia's” op Wikipedia (1949), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028242364
  2. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
  3. Tatiana Rosnay
    “Kwetsbaar” (2010), Artemis & co, ISBN 9789047201625