wacht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wacht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wacht wachten
verkleinwoord wachtje wachtjes

Zelfstandig naamwoord

wacht

  1. m iemand die tot taak heeft iets te bewaken
    De wachten werden volledig overrompeld.
  2. v/m een tijd waarin men de taak heeft iets te bewaken
    Hij hield vanaf middernacht de wacht en werd om drie uur afgelost.
  3. v/m een plaats waar men waakt
  4. v/m een groep die tot taak heeft iets te bewaken
    De wacht werd volledig overrompeld.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: iets in de wacht slepen
iets bemachtigen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wachten

wacht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van wachten
  2. gebiedende wijs van wachten