wacht
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- wacht
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van waken (met het achtervoegsel -t).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | wacht | wachten |
| verkleinwoord | wachtje | wachtjes |
Zelfstandig naamwoord
[A] wacht m
- iemand die tot taak heeft iets te bewaken
- De wachten werden volledig overrompeld.
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
- een tijd waarin men de taak heeft iets te bewaken
- Hij hield vanaf middernacht de wacht en werd om drie uur afgelost.
- een plaats waar men waakt
- een groep die tot taak heeft iets te bewaken
- De wacht werd volledig overrompeld.
Uitdrukkingen en gezegden
- [2]: iets in de wacht slepen
iets bemachtigen
Vertalingen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| wachten |
wacht