wachten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wach·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: wachten, wochten
  • Verwant in Germaans:
Oudhoogduits: wahten, Fries: wachtsje (Oudfries: wachtia)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wachten
wachtte
gewacht
zwak -t volledig

Werkwoord

wachten

  1. (inergatief) op dezelfde plaats of in dezelfde situatie blijven tot iemand komt of iets gebeurt
    Daar is lang op gewacht.
  2. (wederkerend) (verouderd) zich ~ voor oppassen voor iets, zich hoeden voor iets
    Wacht u voor de hond!
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • wachten op
Uitdrukkingen en gezegden
  • Op zich doen wachten. Op zich laten wachten
Uitblijven. Lang niet gebeuren.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wachten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wacht