verplaatsen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·plaat·sen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| verplaatsen |
verplaatste |
verplaatst |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
verplaatsen
- (overgankelijk) iets van de ene plaats naar de andere brengen
- In het schaakspel worden bij een rokade zowel de koning als de toren verplaatst.
- Als je een hortensia verplaatsen wilt, kun je dat het beste doen in de lente.
- (wederkerend) zich ~ van de ene naar de andere plaats gaan
- Zij heeft geen eigen auto en verplaatst zich meestal op de fiets.