dele

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • de·le

Werkwoord

vervoeging van
delen

dele

  1. aanvoegende wijs van delen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord deila, dat uit het Nederduits komt.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dele
deler
delte
delt
Klasse 2 zwak

Werkwoord

dele

  1. (overgankelijk) delen, splitsen
    «Seks mann skulle dele et brød på 1.5 kilo, altså 250 gram til hver.»
    Zes man moet een brood van 1,5 kg delen, dus er is 250 gram per persoon.
  2. (overgankelijk) delen, verdelen
    «På en åttring med fire mann var det vanlig å dele fangsten i fem parter, en til hver av fiskerne og en til båten (eieren av båten).»
    Op een åttring (Noordlandboot met acht riemen) met vier mannen was het gebruikelijk de vangst in vijf delen te verdelen, één voor elk van de vissers en één voor de boot (voor de eigenaar van de boot).
  3. (overgankelijk), (wiskunde) delen
    «18 delt på 6 er 3.»
    18 gedeeld door 6 is 3.
Synoniemen
Verwante begrippen

Frase

Werkwoord

dele inn i

  1. (overgankelijk) indelen in
    «Flere skolesystemer i verden (Frankrike, Spania) deler inn skoleåret i trimestre. I Norge er det imidlertid vanligere å dele inn i semestre.»
    Verschillende schoolsystemen in de wereld (Frankrijk, Spanje) verdelen het schooljaar in trimesters. In Noorwegen is het echter gebruikelijker het schooljaar in semesters in te delen.

Werkwoord

dele opp

  1. (overgankelijk) opdelen, opsplitsen
    «Strømleverandøren Hafslund opplever stor økning i kunder som ønsker å dele opp vinterens store strømregning.»
    De stroomleverancier Hafslund heeft een grote toename van klanten ervaren die de grote energierekening voor de wintertijd willen opdelen.

Werkwoord

dele seg

  1. (wederkerend) zich delen, zich splitsen
    «Når cellen skal dele seg, må arvestoffet kopieres slik at det blir et sett til begge dattercellene som skal oppstå.»
    Als de cel zich deelt, moet het genetische materiaal gekopieerd worden zodat er telkens een set voor beide dochtercellen ontstaat.

Werkwoord

dele ut

  1. (overgankelijk) uitdelen, uitreiken, geven, verspreiden
    «Pave Benedikt vil fortsette med å dele ut kommunion på tungen - og folk skal knele.»
    Paus Benedictus XVI zal voortgaan om de communie mondeling te verspreiden - en de mensen zullen knielen.
    «Det er første gang vi deler ut så mye penger på ett sted, påpeker han.»
    Dit is de eerste keer dat we zoveel geld aan een instantie geven, zei hij.
  2. (overgankelijk) (winst) uitkeren
    «Prosafe hadde første besluttet å dele ut et utbytte på 1,25 kroner pr. aksje.»
    Prosafe had ten eerste besloten om een dividend van 1,25 kronen per actie uit te keren.

Zelfstandig naamwoord

dele o

  1. grenslinie, grensmarkering
  2. splitsing, V-splitsing, tweesprong, driesprong
Verbuiging


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord deila, dat uit het Nederduitse komt.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dele
deler
delte
delt
Klasse 2 zwak

Werkwoord

dele

  1. (overgankelijk) delen, splitsen
  2. (overgankelijk) delen, verdelen
  3. (overgankelijk), (wiskunde) delen
Synoniemen
Verwante begrippen

Frase

Werkwoord

dele inn i

  1. (overgankelijk) indelen in
Schrijfwijzen

Werkwoord

dele opp

  1. (overgankelijk) opdelen, opsplitsen
Schrijfwijzen

Werkwoord

dele seg

  1. (wederkerend) zich delen, zich splitsen
Schrijfwijzen

Werkwoord

dele ut

  1. (overgankelijk) uitdelen, uitreiken, verspreiden
  2. (overgankelijk) (winst) uitkeren
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

dele o

  1. grenslinie, grensmarkering
  2. splitsing, V-splitsing, tweesprong, driesprong
Verbuiging
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen