delen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
delen
deelde
gedeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

delen

  1. (overgankelijk) samen met een ander gebruiken
    We delen een kamer.
  2. (overgankelijk) in meer dan één stuk snijden of hakken
    Het stuk koek werd gedeeld.
  3. (overgankelijk) (wiskunde) rekenkundige bewerking: het aantal bepalen dat een getal (het deeltal) groter is dan een ander getal (de deler)
    Hoeveel is 12 gedeeld door 3 ?
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

delen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord deel
  2. gezaagde houten planken
    Een houten vloer van vurenhouten delen.
  3. gelijksoortige stukken (bestanddelen, afdelingen enz.) van een geheel (de stukken kunnen verschillen in grootte maar zijn gelijk van samenstelling)
    De vaas is in drie delen gevallen.
  4. onderdelen, waarbij verschillen in functie of samenstelling buiten beschouwing zijn gelaten
    In grote delen van de krijgsmacht heerst onrust, vooral bij de (het onderdeel) marine.


Cornisch

enkelvoud meervoud
  delen     delyow, delkyow  

Zelfstandig naamwoord

delen v

  1. (plantkunde) blad


Deens

Woordafbreking
  • de·len

Zelfstandig naamwoord

delen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van del


Noors

Woordafbreking
  • de·len
Naar frequentie 1952

Zelfstandig naamwoord

delen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van del


Nynorsk

Woordafbreking
  • de·len

Zelfstandig naamwoord

delen, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van del