trom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trom
Een trom.
enkelvoud meervoud
naamwoord trom trommen
verkleinwoord trommetje trommetjes

Zelfstandig naamwoord

trom v/m

  1. (muziek) doos ofwel trommel overspannen met een vel waarop men slaat om muziek te maken
Schrijfwijzen
  • tromme (vroeger algemeen, tegenwoordig ongewoon)[1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

Met stille trom vertrekken.

  • Stilletjes of ongemerkt weggaan.

Op de grote trom slaan.

  • Ergens met veel drukte of lawaai de aandacht op vestigen.
Verwijzingen
  1. trom in het Woordenboek der Nederlandsche Taal.


Iers

Bijvoeglijk naamwoord

trom

  1. zwaar