trom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- trom
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | trom | trommen |
| verkleinwoord | trommetje | trommetjes |
Zelfstandig naamwoord
- (muziek) doos ofwel trommel overspannen met een vel waarop men slaat om muziek te maken
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
Met stille trom vertrekken.
- Stilletjes of ongemerkt weggaan.
Op de grote trom slaan.
- Ergens met veel drukte of lawaai de aandacht op vestigen.
Verwijzingen
Iers
Bijvoeglijk naamwoord
trom