tromp

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • tromp
enkelvoud meervoud
naamwoord tromp trompen
verkleinwoord trompje trompjes

Zelfstandig naamwoord

tromp o

  1. (veroud.) iets wat een doffe klank voortgebrengt (blaashoorn, midwinterhoorn, olifantssnuit, geweer, kanon)
    1. (veroud.) het mondstuk van een geweer of andersoortige vuurmond, waarlangs vroeger de munitie werd ingebracht
    2. het mondstuk van een brandweerslang
    3. de slurf van een olifant
  2. koepel of overgangslid om een vierhoekige onderbouw te geleiden naar een veelhoekige of ronde bovenbouw
  3. (veroud.) blazen op een trompet
  4. het blazen van een olifant

Werkwoord

vervoeging van
trompen

tromp

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trompen
    Ik tromp.
  2. gebiedende wijs van trompen
    Tromp!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trompen
    Tromp je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen