tromp
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- tromp
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tromp | trompen |
| verkleinwoord | trompje | trompjes |
Zelfstandig naamwoord
tromp o
- (veroud.) iets wat een doffe klank voortgebrengt (blaashoorn, midwinterhoorn, olifantssnuit, geweer, kanon)
- (veroud.) het mondstuk van een geweer of andersoortige vuurmond, waarlangs vroeger de munitie werd ingebracht
- het mondstuk van een brandweerslang
- de slurf van een olifant
- koepel of overgangslid om een vierhoekige onderbouw te geleiden naar een veelhoekige of ronde bovenbouw
- (veroud.) blazen op een trompet
- het blazen van een olifant
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| trompen |
tromp