tent
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tent
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tent | tenten |
| verkleinwoord | tentje | tentjes |
Zelfstandig naamwoord
tent m
- verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
- (informeel) café, restaurant of andere openbare plek
Afgeleide begrippen
- [1]: tentenkamp, tentharing, tentstok, tentzeil
- [2]: friettent
Uitdrukkingen en gezegden
- de tent afbreken
alles kort en klein slaan (bijvoorbeeld in een café)
- de tent sluiten
een café, restaurant enz. sluiten
ophouden met werken
ophouden met werken
- ergens zijn tenten opslaan
ergens gaan wonen
- iemand uit zijn tent lokken
iemand bewust tot (nadelig) handelen verlokken, iemand provoceren
Vertalingen
1. verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Noors
Woordafbreking
- tent
Werkwoord
tent
- voltooid deelwoord van tenne
Nynorsk
Woordafbreking
- tent
Werkwoord
tent
- voltooid deelwoord van tene